Afbeelding
Portret ... van ‘un amour perdu’ cover

Portret ... van ‘un amour perdu’

portret van ...

Zij heette Mit en was een jonge vrouw, die op haar 26ste nog bij haar ouders in Limburg woonde. Die hadden een kruidenierswinkel en Mit was daar na haar middelbare studies beginnen te werken. Niet dat ze nooit andere ambities had gehad. Als kind had ze ervan gedroomd om airhostess te worden of lerares of zelfs advocate, maar ze was stil en heel verlegen van aard en ze had het niet aangedurfd om te gaan studeren voor iets waar ze heel veel contact met anderen zou hebben. Nu moest ze in de winkel ook wel met mensen omgaan, maar in het kleine dorp waar ze woonde, waren het steeds dezelfde mensen, die bij haar boodschappen kwamen doen. Die kenden haar allemaal en vroegen niet dat ze hen veel zou vertellen, als ze hen maar vlug en goed bediende. Weggaan deed ze ook niet veel, behalve eens op bezoek gaan bij familie of een wandeling maken in het nabijgelegen park samen met haar ouders. Haar weinige vriendinnen van op school zag ze zelden of nooit. De meesten waren verloofd of getrouwd en sommigen hadden al kinderen. Dat zat er voor haar niet echt in. Waar zou zij de prins van haar dromen kunnen tegenkomen? Ze had die wens dan ook al lang opzijgezet en zich erin geschikt om tot in den treure bij haar ouders te blijven. Niet dat ze het daar niet goed had, maar ooit had ze zich haar leven wel anders voorgesteld.

Toen ze op een dag naar de bibliotheek in de stad ging, gebeurde er iets dat haar leven mogelijk had kunnen veranderen. Toen ze uit de bib kwam, mijmerde ze over de korte inhoud van een boek dat ze gekozen had en vergat ze op het verkeer te letten bij het oversteken van de straat. Ze had de fietser, die er kwam aangereden niet opgemerkt en schrok zo dat ze achteruit stapte, van het voetpad gleed en met haar boeken voor zich op de rijweg belandde.

Hij heette Johan, maar sinds hij in Limburg was komen wonen, klonk zijn naam meer als ‘Jehaan’. Hij was 35 jaar oud en nog altijd vrijgezel. Beroepsmatig was hij ambachtelijk houtbewerker. Voor hem was er niets heerlijkers dan in zijn atelier een prachtig voorwerp te toveren uit een blok ruw hout. Hij kon daarmee lange tijd bezig zijn en had daarbij geen gezelschap nodig. Dat kwam hem goed uit, want hij was een vrij teruggetrokken iemand. Hij had één goede vriend waarmee hij vroeger regelmatig optrok, maar sinds die getrouwd was en er een baby zijn intrede in het gezin had gedaan, bleef er minder tijd over om samen met Johan op stap te gaan. Naar de bioscoop of het theater gaan, deed Johan dan ook meestal alleen. Hij was een fervente fietser en kon uren rondrijden. Dat deed hem deugd, maar ook zijn boodschappen in de stad deed hij met de fiets.

Hij zag haar niet komen, toen hij de hoek omdraaide. Gelukkig kon hij haar ontwijken, maar hij kon niet verhinderen dat ze het evenwicht verloor en op de grond belandde met haar boeken. Hij haastte zich om haar overeind te helpen en haar boeken op te rapen. Ook voor hem had dit een kantelmoment kunnen zijn.

‘Sorry’, zei hij, ‘ik had je niet zien komen.’ ‘Sorry’, zei zij, ‘het is mijn fout, ik heb niet opgelet’. Toen nog eens allebei tegelijkertijd ‘Sorry’, waarop ze elkaar aankeken en allebei erg lachten. Er was meer. Er hing plots een zekere spanning in de lucht en die voelden ze alle twee. Het was een ‘coup de foudre’ aan beide kanten. Het was net of de zon plots doorbrak door de door de jaren van eenzaamheid opgestapelde wolken.

Timide als ze allebei waren, gingen ze vlug ieder hun eigen weg weer op. Zij naar de winkel, hij naar zijn atelier, ondertussen aan dat wonderlijke moment denkende.

Mit dacht tijdens haar verdere leven nog vaak aan het voorval en vroeg zich af hoe het gelopen zou zijn als ze niet zo verlegen was geweest. Dan zou ze misschien kans hebben gehad op een minder eenzaam leven. Dan zou ze misschien niet alleen gebleven zijn na de dood van haar ouders.

Johan had nog moeite gedaan om contact te leggen met de verstrooide vrouw met de prachtige ogen en de mooie lach. Hij was haar op afstand met de fiets gevolgd en had haar de kruidenierswinkel zien binnengaan. Een paar keer had hij zelfs voor de deur gestaan, maar telkens belemmerde iets hem om binnen te gaan. Uiteindelijk gaf hij het op. Ook hij dacht nog veel aan haar en vroeg zich af of ze zich hem nog zou herinneren.

Mit en Johan hebben nooit Valentijnsdag gevierd. Ze hebben elkaar nooit kunnen zeggen wat ze voor elkaar voelden. Hun verlegenheid stak daar een stokje voor.

Dit verhaal, geïnspireerd op het lied van Marco Borsato ‘Hij had het willen zeggen‘, schreef ik na het beluisteren van een gesprek op de radio met iemand van de VVM vzw (Vereniging voor Verlegen Mensen@vvmvzw) en naar aanleiding van 14 februari Valentijnsdag.

A. Poelmans