Vlaamse leraars kijken anders dan hun schoolleiders naar hun job

Nieuws
Vlaanderen nam deel aan TALIS 2013. TALIS staat voor Teaching and Learning International Survey. Dit is een internationaal vergelijkend onderwijsonderzoek van de OESO, waar niet wordt gekeken naar de resultaten van de leerlingen, maar wel naar de werkcondities van leraars, het lesgeven en de omgeving waarbinnen les wordt gegeven. 34 landen namen eraan deel. Doelgroep van het onderzoek waren leraars uit het lager onderwijs en uit de eerste graad secundair onderwijs en hun directies. Uit het onderzoek blijkt dat leraars en schoolleiders niet steeds op eenzelfde manier aankijken tegen de realiteit van hun job. Professor Peter Van Petegem van de UAntwerpen stelde de resultaten voor.
In Vlaanderen werkt – volgens de schoolleiders - driekwart van de leraars in een school waar aanvangsbegeleiding wordt geboden (in de eerste graad zelfs 93%). Scholen lijken, in de eerste graad secundair onderwijs nog beduidend meer dan in het lager onderwijs, duidelijk te investeren in het begeleiden van nieuwe leraars. Een nieuwe leraar krijgt vaak een meer ervaren collega als ‘steun en toeverlaat’. Welke ervaringen hebben de leraars zelf? In de eerste graad secundair onderwijs geeft 43% aan te hebben deelgenomen aan aanvangsbegeleiding, in het lager onderwijs 19%, heel wat minder dan wat de schoolleiders beweren.
Het vereiste diploma voor een volledig gekwalificeerde start als leraar in het Vlaams lager onderwijs en in de eerste graad van het secundair onderwijs bevindt zich op het niveau van de professionele bachelor (93% in het lager en 84% in de eerste graad secundair). Een gelijkaardige vaststelling doet men voor wat betreft de schoolleiders. Tien procent van de schoolleiders in het lager onderwijs geeft aan een diploma te hebben op masterniveau; internationaal gaat het over 81%. In Vlaanderen geven 90% van de leraars aan dat ze de voorbije twaalf maanden aan professionele ontwikkeling (cursussen, workshops,…) hebben gedaan, een cijfer dat ook internationaal wordt gehaald. De intensiteit valt echter tegen. Gemiddeld besteedde een leraar drie dagen aan dergelijke ontwikkeling. Bij schoolleiders zien we hetzelfde beeld.
Opvallend is dat leraars in Vlaanderen veel minder met elkaar samen werken dan in de andere landen waar het onderzoek werd gevoerd. Tien tot twaalf procent van de leraars werkt in een school waar de schoolleider aangeeft dat er in teams wordt lesgegeven. Internationaal bedraagt het gemiddelde 53%. Vlaamse leraars geven elkaar zelden feedback.
Wanneer wordt gepeild naar hun job-tevredenheid, zijn de Vlaamse leraars meestal positief, zowel over de huidige werkomgeving als hun beroep in het algemeen. Dit beeld verandert wanneer de vraag wordt gesteld naar de mate waarin zij zich maatschappelijk gewaardeerd voelen. Slechts 45% is hiervan overtuigd. Toch vallen de Vlaamse resultaten niet uit de toon. Integendeel. Enkel in Finland geven de leraars aan op een maatschappelijke waardering te kunnen rekenen.
Het opnemen van onderwijskundig leiderschap gebeurt in Vlaamse scholen beduidend minder dan in het buitenland. Taken die typisch zijn voor onderwijskundig leiderschap komen bij ons minder aan bod. Tenslotte besteden Vlaamse schoolleiders minder tijd aan taken die verband houden met lesgeven en het curriculum. (EM)