Afbeelding
Sneeuwwit cover

Sneeuwwit

De voorstad bloeit

David zat op de rand van het dak en hoorde de wollige geluiden van beneden. Er lag een dikke laag sneeuw. Hoe hij daarboven via de dakkapel was geraakt, zonder uitglijden, was hem een raadsel. De auto’s in de straat, de ene sneeuwvrij, de andere beladen met witte pakken reden langzaam. Dappere bestuurders die toch naar de supermarkt sliertten om de feestmaaltijd samen te stellen of af te halen. “Wat doe jij met Kerstmis?”, was de frequentste vraag van het moment, alsof het een wereldprobleem was. “Kerstavond” had een wat emotionele ondertoon. Het leek alsof de geboorte van Christus het signaal gaf om ook diegenen die het moeilijk hadden of eenzaam waren te betrekken. “We zullen tante ook maar ophalen in het zorgcentrum. Dan ziet zij haar neefjes en nichtjes nog een keer.” De feesttafel in de living was groot genoeg en voor haar was een cadeautje snel bedacht.

De lichtjes van de kerstboom in zijn huis brandden dag en nacht. Tegen de aankomende energierekening in. Het hoorde zo, zelfs van oktober tot april. Dat vond het hele gezin gezellig. De buren keken er verwonderd tegenaan. Het werd donker en zijn broek was drijfnat. Vreemd dat niemand zich afvroeg waar hij precies was. Was iedereen bezig met de kerstversiering en het dekken van de feesttafel? Hij kon gemist worden. Als vader volgde hij een eigenzinnig traject en niemand die zich zorgen maakte. Toch had hij het geapprecieerd, mocht iemand hem gezocht hebben. Hij was nog erg onder de indruk van de dood van zijn broer. Tien jaar jonger dan hij en recent omgekomen op de snelweg. Eric, een eenzaat als hij, was gecrasht op de snelweg. Zonder sneeuw. Spookrijder. Onmiddellijk dood, de tegenligger ook. Het parket had door de dichte mist de mogelijkheid van zelfmoord opengelaten. Het beeld van het smeulende, verwrongen autowrak bleef hem bij.

David koesterde zich in de warmte van zijn gezin, maar echte vrienden had hij niet. ‘Collega’s’ noemde hij iedereen die hem met zijn voornaam aansprak. Eric was een echte vriend. Zijn broer en hij keken allebei meewarig naar de gang van het leven, gekweld door de vreemde gewoonten die een soort blindheid verraadden tegenover dat traject van geboorte naar dood. Op zijn zestig was het beste voorbij. Zijn vader had zelfs die leeftijd niet overleefd. Zijn hart had het begeven op weg van de scheepswerf naar huis. Een feestelijk einde kent het leven zelden. Of voelden de bejaarden die in de buurt rond schuifelden met hun hondje zich gelukkig? De steekvlam van alle maatschappelijke activiteit was in handen van jonge mensen, die hem nog even duldden, maar op hem neerkeken. Het gegoochel met laptops, smartphones, apps kon hij niet volgen. De tristesse van de laatste rechte lijn.

Een harde knal bracht hem uit zijn evenwicht. Achter de kerktoren tekende zich een witte vuurwerkroos af, die een tijdlang bleef hangen. Hij voelde hoe twee dakpannen onder hem weggleden en met een doffe smak in de tuin ploften. De voordeur ging open. “Pa?”, hoorde hij zijn oudste zoon roepen. “Pa?”. Hij wachtte even en riep toen met beverige stem: “Hier”. De zoon, groter en sterker dan hijzelf, aarzelde niet en sleepte de ladder van de zijkant van de garage naar de plek waar de dakpannen lagen. Hij besteeg snel de ladder en hielp zijn vader naar beneden. “Je hebt kou. Kom vlug binnen.” Verder zei hij niets: geen vraag, geen verwijt. Daar zaten ze aan de sneeuwwitte kersttafel. Iedereen glimlachte. David ook.

Marc van Riel

“Wit is altijd schoon” (Leo Pleysier)